Over fabels, filosofie, verlies, verwondering en de kunst van aandachtig kijken
In dit exclusieve interview spreken we Jan Bouwstra, de auteur van De brilslang, de boktor en de andere dieren en De krekel, het bos en de wereld. Met zijn unieke combinatie van biochemie, muziek en literatuur heeft hij een geheel eigen stem ontwikkeld binnen de wereld van de dierenfabels.
Over jouw achtergrond
1. Je bent chemicus, pianist én schrijver. Hoe komen deze drie werelden voor jou samen?
“Ik weet niet of ze samenkomen, maar ze vullen elkaar in ieder geval wel aan.
Een biochemicus beschouwt de mens als een complexe chemische fabriek, en probeert alle processen in die fabriek te ontrafelen. Ik realiseer mij daardoor hoe complex het menselijk organisme is — wij begrijpen oneindig veel meer níét dan wél.
Dat is ook mijn wereldbeeld als schrijver: de wereld is een groot mysterie, alles om ons heen is in een vermomming gehuld.
Pianospelen is voor mij dan weer een methode om los te komen van mijn verhalen. Even nergens aan denken, zodat ik daarna weer met een frisse blik kan schrijven.”
2. Was er een moment waarop je dacht: “Ik ga een fabelboek schrijven”?
“Toen ik met fabels ging experimenteren ontdekte ik hoe goed dit genre past bij mijn manier van denken. Ik kan poëtisch, humoristisch en diepzinnig zijn in één korte scène.
Na het overlijden van mijn partner werd het schrijven van fabels bovendien een vorm van verwerking. Voor langere verhalen had ik op dat moment niet de rust.”
3. Welke invloed heeft je wetenschappelijke achtergrond op jouw manier van schrijven?
“Door wetenschappelijk onderzoek word je getraind in logisch en associatief denken.
In mijn fabels zijn de dieren ook ‘onderzoekers’: ze interpreteren de wereld om zich heen en proberen die te analyseren. In zekere zin zijn ze pseudowetenschappelijk bezig.”
Over fabels & jouw stijl
4. Wat trok je aan in de vorm van de fabel?
“Het antropomorfisme. Dieren, voorwerpen, natuurverschijnselen kunnen allemaal praten en denken.
En de vrijheid in taalgebruik — ik kan mijn eigen taal hanteren, poëtisch, beeldend, met metaforen.”
5. Je werk wordt vergeleken met dat van Toon Tellegen. Zie je dat zelf ook zo?
“Ja, al is bij mij de filosofische laag explicieter. Ik ben constant op zoek naar die diepere betekenis. Mooi, grappig of ontroerend schrijven is niet genoeg.”
6. Hoe kies je welke dieren een rol krijgen?
“We hebben van dieren vaak al een antropomorf beeld: een uil is wijs, een beer traag van begrip.
Ook de naam kan bepalend zijn: een smaragdhagedis klinkt al poëtisch.
En de aard van de discussie: een brilslang gebruik ik bij scherpe dialogen, de krekel bij naïeve verwondering.”
7. Heb je een favoriete fabel?
“De laatste fabel uit mijn tweede boek, ‘Tralies’. Het gaat over de beperkingen van onze eigen meningen — tralies die we zelf optrekken.
En ‘Iets belangrijks’, over de smaragdhagedis die blind blijft voor alle schoonheid om hem heen.”
Filosofie & inspiratie
8. Welke denkers inspireren je?
“Vrijwel alle grote filosofen.
Als ik er een paar moet noemen: Nietzsche, Hannah Arendt, Karl Popper, Emmanuel Kant… en nog vele anderen.”
9. Is er een vraag die steeds terugkomt in je werk?
“Het idee dat de wereld in een vermomming is gehuld — en dat we nooit zullen weten wie daarachter schuilgaat.
En dat we niet weten wie wíj zijn. Wie er in ons hoofd aan de touwtjes trekt.”
10. Hoe vind je balans tussen humor en diepgang?
“Die balans verschuift steeds, daar heb ik geen volledige controle over. Sommige dieren hebben vooral grappige gesprekken, anderen zijn juist scherpzinnig. Maar humor sijpelt overal doorheen — dat komt door mijn hoofd, denk ik.”
Over het schrijverschap
11. Hoe ziet jouw schrijfproces eruit?
“Ik schrijf dagelijks, volgens een vast systeem.
Eerst een intrigerende gedachte, dan een scène, dan de dieren die erbij horen.
Daarna komen de gedachten vanzelf en gaan de dieren met elkaar in gesprek.”
12. Wat hoop je dat lezers meenemen?
“Ik hoop dat ze genieten.
Misschien kunnen mijn fabels even de ernst wegnemen waarmee wij de wereld bekijken — dat onverzettelijke geloof in onze eigen ideeën.
Laten we proberen elkaar te begrijpen.”
13. Vormt je eerste en tweede boek samen een geheel?
“Ja. Mijn eerste boek was de lakmoesproef: zouden lezers dit omarmen? Nu het vier drukken heeft, weet ik dat het resoneert.
Mijn tweede boek is filosofischer, maar sluit daar perfect bij aan. Ze zijn als tweelingen: gelijkend, maar met elk een eigen karakter.”
Toekomst & persoonlijke noot
14. Werk je aan een nieuw project?
“Ja, aan een derde deel. Er zijn nog zoveel ideeën die om een fabel vragen.”
15. Is er een fabel die je levenspad samenvat?
“Dat is een grote vraag. Veel fabels hebben een klein stukje van mijn levenspad in zich.”
Slotgedachte
Zijn woorden blijven hangen:
“Het lot bepaalt hoe ons leven loopt, en dat kun je niet plannen.
Wanneer je koste wat kost vasthoudt aan een plan, mis je de mogelijkheden die je onderweg tegenkomt.
Laat het lot zijn gang maar gaan…”
Een gedachte die precies samenvat waarom zijn fabels zo raken: zacht, eerlijk en scherp tegelijk.